Heinrich Schütz: ‘Der Schwanengesang’


Heinrich Schütz

De psalmen hebben in het leven van  Heinrich Schütz altijd een centrale plaats ingenomen. Niet alleen gaf hij in 1619 als eerste belangrijke opus zijn meerkorige “Psalmen Davids” uit en componeerde hij tussen 1625 en 1628 na de dood van zijn nog jonge vrouw alle 150 berijmde psalmen van het Beckerpsalter, ook nadien nemen ze in al zijn verzamelbundels zonder uitzondering telkens een vooraanstaande plaats in. Schütz, die in 1611 in Venetië bij Giovanni Gabrieli (1558-1613) studeerde, had daar  het schrijven van madrigalen geleerd en maakte bovendien kennis met de dubbelkorigheid. In  1628 keert hij nogmaals terug naar Venetië. Daar ontmoette hij Claudio Monteverdi (1567-1643), bij wie hij de vernieuwingen inzake theatrale muziek en dramatische monodie bestudeerde. Schütz was verrukt over de nieuwe mogelijkheden die de ‘seconda prattica’ boodt, en nam die innovaties in 1629 mee terug mee naar Saksen, waar ze nog totaal onbekend waren. In 1662 schreef Schütz  ter gelegenheid van de inwijding van de gerestaureerde slotkapel van het Saksische hof in Dresden een feestelijke dubbelkorige Psalm 100. Hierna zette hij zich vanaf 1666 aan het componeren van psalm 119. Deze veruit langste psalm is één grote lofzang op de door God gegeven wet. In zijn oorspronkelijke vorm is psalm 119 een ABCDarium bestaande uit 22 coupletten, overéénkomstig het Hebreeuwse alphabet, van ieder acht regels. De eerste acht regels beginnen met een A, de tweede acht met een B, enz. t/m de 22e letter van het Hebreeuwse alphabet. Schütz verdeelt de uit 22 strophen  bestaande tekst in11 achtstemmige motetten. Samen met Psalm 100 en het afsluitende  “Deutsches Magnificat “ vormen ze een driedelige compositie onder de titel “Der Schwanengesang”


Der Schwanengesang

“Der Schwanengesang “ wordt gezien als het “Opus ultimum”van Heinrich Schütz. In de zettingen van Psalm 119 demonstreert Schütz een laatste maal zijn kwaliteiten als componist mede beïnvloed door de Italiaanse erfenis van Gabrieli en Monteverdi Paradoxaal genoeg is Psalm 119 dan ook niet als een hoogtepunt uit de vroeg-Duitse barok te typeren, maar eerder als een laat hoogtepunt van de Venetiaanse polyfone traditie en van de Italiaanse laat-renaissance. De muziek kenmerkt zich door virtuoos gebruik van muzikale retoriek, volop madrigalismen, een expressieve religieuze emotionaliteit en een briljant gebruik van de Venetiaanse dubbelkorigheid.

In 1671 overhandigt hij op 86-jarige leeftijd het manuscript aan keurvorst Johann Georg II van Saksen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze muziek toen is uitgevoerd. Door onbekende oorzaken is deze partituur op een gegeven moment uit Dresden is verdwenen. Pas rond 1900 duiken in het aan de Poolse grens gelegen Guben 6 van de 9 stemboeken op. Gemist wordt de orgelpartij en de sopraan- en tenorpartij van koor II. Heinrich Spitta maakt in het tijdschrift ‘Monatschrift für Gottesdienst und kirchliche Kunst’ melding van deze vondst en geeft in 1926 het Magnificat uit. In 1930 wordt in een antiquariaat in Keulen de orgelpartij ontdekt en onmiddellijk aangekocht door de schrijver Stefan Zweig, die deze partij als verwoed verzamelaar van autografieën toevoegt aan zijn ‘Londense collectie’. Na de Tweede Wereldoorlog bleken de 6 stemboeken van Guben onvindbaar en werd ondertussen de hoop opgegeven dit belangrijke opus ooit nog eens compleet te hebben. Totdat in 1975 in de ‘Sächsischen Landesbibliothek Dresden’ de 6 stemboeken van Guben plotseling weer opduiken nadat ze daar enkele decennia onopgemerkt hadden gelegen. In 1981 vindt tijdens de ‘Dresdner Musikfestspiele’ de eerste uitvoering plaats van Der Schwanengesang.

Koor: Cappella Neerlandica
Gamba-ensemble: “The Spirit of Gambo”
Blazers-ensemble: cornetto, baroktrombones
Continuo, orgel: Susanna Veerman
Dirigent: Harm Jansen


Vrijdag 4 Maart | 20.00 uur
Kasteel Vanenburg (besloten concert)

Zaterdag 12 Maart | 20.15 uur
Onze Lieve Vrouwe Basiliek, Zwolle

Zondag 13 Maart | 15.15 uur
Dominicanenklooster, Huissen