Maurice Duruflé

Maurice Duruflé werd op 10-jarige leeftijd leerling aan de zangersschool van de kathedraal van Rouen. Hij studeerde er ook piano, orgel en muziektheorie. In 1919 verhuisde hij naar Parijs waar hij orgel ging studeren bij Charles Tournemire. Het Parijse conservatorium bezocht hij vanaf 1920. Tussen 1922 en 1928 won hij vele prijzen, onder andere voor orgel, compositie, harmonieleer en fuga. In 1930 werd hij benoemd tot organist aan de Saint Étienne-du-Mont in Parijs. Na een auto-ongeluk op 29 mei 1975 moest Duruflé stoppen met zijn werkzaamheden als organist. In 1976 publiceerde hij zijn laatste werk, Notre Père voor a-capellakoor. De gregoriaanse gezangen waren een belangrijke inspiratiebron voor zijn muziek en Duruflé maakt er in zijn requiem dan ook veelvuldig gebruik van terwijl hij de opzet van het requiem van Fauré overnam. Overigens stelde Duruflé met nadruk  dat zijn gebruik van gregoriaans niet was bedoeld als een vorm van muzikaal escapisme in een eerder sereen en ver verleden. “Dit Requiem,” schreef hij, “is niet een etherisch werk dat zich loszingt van de wereldse zorg”. Eerder mikte de componist op een nadenken over de onveranderende waarheden, over de vrees van de mens die wordt geconfronteerd met de dood en om tenslotte de troostende  vlucht van de ziel naar het paradijs aan te tonen. Het Requiem bereikt dit doel met een taal die wordt gekenmerkt door rust en terughoudendheid, maar die ook gevoelens van een aanzienlijke kracht, macht, bewogenheid en poëzie uitdrukt.